Skip to main content
16 december 2025

De goddelijkheid van Jezus

Met kerst vieren we iets ongelofelijks: Jezus, die waarlijk God is, werd waarlijk mens. De Schepper werd onderdeel van zijn eigen schepping! Toch lijkt er veel verwarring te zijn over de goddelijkheid van Jezus. Is Jezus nou God? Of de Zoon van God? Of mens? Of een soort mix van die drie?

De Bijbel leert dat Jezus waarlijk God én waarlijk mens is. Er zijn talloze Bijbelteksten die beide kanten laten zien. Zijn menselijkheid zien we bijvoorbeeld hierin: Hij werd geboren (Lukas 2:7, 11; Mattheüs 1:1-17), groeide op (Lukas 2:52), kreeg honger (Lukas 4:1–2), werd moe (Johannes 4:5–6), kende verleiding (Lukas 4:1–13; Hebreeën 4:15) en stierf (Johannes 19:30–34).

Zijn goddelijkheid blijkt uit het feit dat Hij zei God te zijn (Johannes 5:18; 8:58–59; 10:30), wonderen deed met goddelijke kracht (Johannes 20:30–31), autoriteit had om zonden te vergeven (Lukas 5:17–26) en als God werd aanbeden (Mattheüs 28:17).

Jezus heeft dezelfde eigenschappen als God: Hij is het evenbeeld van God (Hebreeën 1:3), eeuwig (Micha 5:2; Johannes 1:1–3, 8:58; Kolossenzen 1:17), almachtig (Mattheüs 28:18), alomtegenwoordig (Mattheüs 18:20; 28:20; Efeze 1:23), alwetend (Johannes 2:23–25; 16:30; 21:17) en onveranderlijk (Hebreeën 1:10–12).

Zijn werken bewijzen zijn goddelijkheid: Hij schiep hemel en aarde (Johannes 1:1–3; Kolossenzen 1:16–17; Hebreeën 1:1–2), vergaf zonden (Markus 2:5–11), stond op uit de dood (Mattheüs 28:1–7; Romeinen 1:3–4) en geeft eeuwig leven (Johannes 10:27–29).

Zijn titels laten ook Jezus’ goddelijkheid zien. Hij wordt genoemd:

  • Zoon van God: Mattheüs 26:62–65
  • Zoon des mensen: een verwijzing naar Daniël 7:13, waar een goddelijk persoon wordt beschreven die door allen wordt aanbeden
  • Immanuel – God met ons: Mattheüs 1:23; Jesaja 7:14; 9:6
  • Heer en God: Johannes 20:28; Titus 2:13
  • De Alfa en de Omega: Openbaring 1:8
  • De Schepper: Kolossenzen 1:16; Johannes 1:2
  • De Rechter: 2 Timotheüs 4:1–2; 2 Korinthe 5:10

Incarnatie

De Bijbel leert dus dat Jezus zowel God als mens is. In Hem is God mens geworden – dat noemen we de incarnatie. Het woord komt van het Latijnse in carne, wat ‘in vlees’ betekent. Zo leg ik het weleens uit aan tieners: je hebt chili con carne (met vlees), maar Jezus is God con carne – God met het vlees. Om de incarnatie goed te begrijpen, moeten we onderscheid maken tussen wie Jezus is (zijn persoon) en wat Hij is (zijn natuur). Jezus is de tweede persoon van de drie-enige God. Samen met de Vader en de Heilige Geest deelt Hij in hetzelfde goddelijke wezen.

Hij heeft een goddelijke natuur – eeuwig, almachtig, alomtegenwoordig – maar ongeveer tweeduizend jaar geleden nam Hij ook een menselijke natuur aan. Dat betekent niet dat Hij ophield God te zijn (dat kan niet!), maar dat Hij zijn goddelijkheid combineerde met echte menselijkheid. Filippenzen 2:5–8 beschrijft dat prachtig: Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de kruisdood.

Jezus legde zijn goddelijkheid niet af, maar nam menselijkheid aan. Sinds de incarnatie is Hij één persoon met twee naturen: waarlijk God en waarlijk mens. Om duidelijk te maken dat het kind niet slechts een menselijke natuur heeft, wordt Hem ook de titel ‘Zoon van God’ meegegeven. Lukas 1:35: De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig genoemd worden en Zoon van God.

Strijd, verwarring en helderheid

De vroege kerk herkende deze leer direct in de Schrift. Ondanks vervolging was er een duidelijke overtuiging: Jezus is waarlijk God en waarlijk mens. De Apostolische Geloofsbelijdenis (die in haar vroegste vorm al vóór 150 na Chr. in de kerk circuleerde), zegt dat Jezus is: “Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader” en “Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is mens geworden.”

Toen de vervolgingen afnamen, kon de kerk zich beter organiseren en haar geloof verwoorden. Om trouw te blijven aan de Schrift, formuleerde zij het zo: “Jezus is waarlijk God en waarlijk mens, met twee naturen in één persoon.” Alles wat buiten dat kader valt, is niet langer Bijbels (zie afbeelding 1). Zie ook de Chalcedonische geloofsbelijdenis uit het jaar 451.

Dwaalleren

In de vierde eeuw heeft de kerk dan ook dwaalleren weerlegd:

  • Arianisme: leerde dat Jezus niet waarlijk God was, maar een geschapen wezen die een goddelijke gunst ontving. Dit is in feite wat Jehova’s getuigen geloven over Jezus.
  • Apollinarisme: leerde dat Jezus niet waarlijk mens was omdat de Logos (het goddelijke Woord) de plaats had ingenomen van zijn menselijke geest.
  • Nestorianisme: maakte van Christus twee personen – een menselijke Jezus en een goddelijke Zoon.
  • Eutychianisme/Monofysitisme: vermengde de goddelijke en menselijke natuur tot één nieuwe en unieke natuur.

Wonder van kerst

Met kerst vieren we dat Jezus, God de Zoon, mens werd. Hij, die alle macht heeft, kwam als een baby, kwetsbaar en klein. De grote ‘IK BEN’ lag in een voerbak. En waarom? Omdat Hij kwam om ons met God te verzoenen. Uit liefde voor ons. Dat is het echte wonder van kerst.

Manuel van Dam